teksten

teksten

van verdonkschot zijn twee gedichtenbundels verscheen.
 
’niets kan mij gebeuren’ (2017)
 
’toen vandaag nog gisteren was’ (2021)
 
diverse gedichten zijn omgezet naar liedteksten, zoals
 

Bert Vissers             compositie / zang
Guus Westdorp           arrangement / piano
hieronder ook een keuze uit zijn poëzie.
niets kan mij gebeuren

Niets kan mij gebeuren


Als het regent, word ik niet meer nat
kan niet meer verdwalen, elke weg het goede pad
als de stroom te breed is, dan neem ik de brug
en als de stormen razen, blaas ik gewoon terug

 

Niets kan mij gebeuren


Als ik mijn ogen sluit, dan kan ik alles zien
ik ga tastend in het licht
ik breng de verte naar dichtbij
en wat gesloten is, is nooit meer dicht


Lief, laten we dwalen in jouw niemandsland
samen op onze tenen, in het zachte mos
laten we ons in jou verstoppen
spelen we samen, verstoppertje zonder verlos


Ooit was alles simpel
een foto die deed klak
blote voeten op de mat die prikte
was je jarig, at je zoetgebak
stiekem zoenen, altijd met een blos
gulzig drinkend, verdwijnend in het glas
Mam, ik ben op jou, ik laat je nooit meer los


Niets kan mij gebeuren
Hoef niet meer te bewegen
eb of vloed, ieder getij
alles is gewonnen
niets op afstand, alles is dichtbij


Niets kan mij gebeuren


Alles wat eens hard was, is heel vloeibaar nu
geritsel, jouw gestalte, en dan je oogopslag
geen regels, nooit een vast stramien
en de stilte?, die warmt zich aan jouw lach


Lief, laten we dwalen in jouw niemandsland
samen op onze tenen, in het zachte mos
laten we ons in jou verstoppen
spelen we samen, verstoppertje zonder verlos.

tabula rasa

Mag ik jouw ongerepte lijf,
waarop ik dan mijn verzen schrijf
mijn zinnen gul gestrooid op jouw blanke vel
mijn tattoo zal uitvoerig zijn, dat wel

 

Ik druk teder enkel kapitalen op je gezicht
volg de regels van je open lach
daarna gebruik ik je wangen
om daar al mijn uitroeptekens in op te vangen

 

Zal je stempelen op je lippen,
mijn zinnen dan rood omlijnd
kus ze, voeg ze samen en geniet
wel zacht, want doe ze niet teniet

 

Jij alleen bent het podium dat ik zoek
wil jij zijn: mijn open boek?
ik zal alles schrijven; ik leef me uit
en daarna pas:
lees ik je huid

 

Op je hals print ik mijn langste zinnen,
daar zal ik breedsprakig zijn
en voor jouw borsten vind ik mijn mooiste hyperbolen
ik laat ze vrij om daar wat rond te dolen

 

Vind het ritme van je hart
rijg woorden in een lint
en snoer je taille nog slanker met mijn refrein
op je zachte buik maken zoete rijmen zachte
plonsjes, fijn

 

Naast jouw benen zet ik nog wat jambes keurig op een rij
zelfs bij jouw voeten, voeg ik noten toe
ik zalf je huid glad met mijn taal
jouw lichaam vormt het veld voor mijn verhaal

 

Jij alleen bent het podium dat ik zoek
wil jij zijn: mijn open boek?
ik zal alles schrijven; ik leef me uit
en daarna pas:
lees ik je huid

 

Ik schuif jou al mijn woorden toe
je mag mijn mooiste zinnen hebben
geen open plek meer? geen onbeschreven grond?
dan leg ik heel voorzichtig nog wat woorden in jouw mond

lippendauw

jouw zoele adembries
aait langs mijn wangen
verwarmt mijn gezicht
met een zucht
van het lichtste licht

 

je hoofd wiegend
in mijn open hand
en daar, door je melkhuid,
maakt vervoering zich los
daar fonkelt schuchter, een blos

 

je ogen geloken
het zicht gesloten
je geest tot rust
maar toch zo
zelfbewust

 

we naderen aarzelend
tot ons dichtst dichtbij
lippen vormen zich
naar een gedeeld wij

 

inhaleer je adem
beroer jou teder
met de zachtste druk
mors ik voorzichtig
maar terstond
wat kussen op je mond

 

vind wat ik altijd zocht
in een gedeelde ademtocht
samen deelgenoot
in het aftasten
van jouw lippenrood

 

je zachtheid waar ik zo van hou
pluk steels vleugjes vochtdauw
proef het zonlicht
gul gestrooid over je gezicht
weet dat ik verander
verbonden in ons

 

verbonden in ons
minst ontwijken van de ander

toen vandaag nog gisteren was

het geluid van mijn echoloze stap
op het uitgestrooide grint
een lucht, gewatteerd
die het uitzicht donzig maakt
de wereld opgelost
de blik toch al naar binnen
in mijn eigen contrapost

 

jij geurend naar de meidoorns
daar, bij de wilde haag
het ritme van jouw hakken
wegstervend, traag

 

jouw gonzend bewegingsspel
het bonken van mijn hart, zo snel
met mijn bloedende bovenlip,
die ik stukbeet om je onbegrip

 

ik wil terug naar toen vandaag
nog gisteren was

 

hoe jouw schaduwspoor
toen nog schoof over die van mij
mijn omtrek kruisend,
schaarsgewijs verdicht,
mijn silhouet nu
uitgegumd, gezwicht

 

toen vandaag nog gisteren was

 

jij kaarsrecht
je heupen wiegend
de zachtheid van je oogopslag
je overbodige gebaren
je verhalen breeduit
toen ons ademhalen nog afgestemd
nu het samenzijn voorgoed geremd
ik zie nog dat beeld:
ik naast jou lopend in je pas
of jij toen,
nagellakkend op het balkonterras

 

Dat was toen
waar vandaag nog gisteren was

 

ik was vergeten
dat iets prachtigs kan verbleken
hoe iets zo geluidloos
onherstelbaar stuk kan breken

 

dat laatste beeld
dat je wegschoof uit mijn zicht
je beeltenis vervlogen
en je nam van ons twee
zelfs nog je eigen schaduw mee


ben je kwijt en wat het ergste is
ik weet niet goed
hoe ik je missen moet

 

dit is te groot,
het is nooit gebeurd
maar waarom ben ik
dan nu toch zo verscheurd

 

ik wil terug
terug
naar

 

toen vandaag nog gisteren was

kom aan mij te kort

dring je aan mij op
rij me in de wielen
negeer mijn jammerlied
en gedraag je niet


loop me voor de voeten
grijp me bij de keel
en desnoods zonder overleg:
sta me in de weg


wil je,
alsjeblief
want ik haat je
ik haat je
zo lief


giet me in beton
ga je aan mij te buiten
wees zo vrij:
vergooi je desnoods aan mij


kom mij tekort
schurk me aan
haal me overhoop
en daarbij
koel je woede af op mij


wankel mijn evenwicht
wees mijn koude douche
haal het slechtst in je naar boven
gebruik mij desnoods
als jouw steen des aanstoots


wil je,
alsjeblief
want ik haat je
ik haat je
zo lief


wij zijn zo virtuoos
in het ontwijken van de ander
ons samen, zoekgeraakt,
maar als misverstand
zo volmaakt

 

jij at de appel,
een tijdje terug alweer
toon geen beterschap,
want ik wil best
nog wel een hap

 

wil je
alsjeblief
want ik haat je
ik haat je
zo lief

 

vluchten we naar voren
voordat ik ontplof?

 

maar als dat allemaal niet lukt
kunnen we gewoon toch
altijd nog...
doen alsof

zo is het bedoeld

op mijn tenen staand
kan ik alles zien
mijn adem benomen
en op slag:
lief ik de dag

 

de dag slaapdronken vers
in neveldamp gedoopt
waar de wolken kruimen
krijgt het land ruim baan
en als de winden vlagen
vat het leven aan:

 

vogels sprokkelen hun nesten
op stampers morsen bijen poederstuif
onder drassig groen
mollen, woeldronken in hun luim
geuren zepig, aangelengd tot zoet
mieren naarstig in een stoet

 

het is misschien
op niets gestoeld
maar ik voel
zo is het bedoeld


In sompige sloten
het kroos te hoop
weerspiegelt het waterriet,
koket en zacht
rillend in haar fluisterpracht

 

kikkers hijgend
op een lelieblad
een slakkenspoor,
kleeft zigzaggend,
ladderzat


zilvermeeuwen liftend op een bries,
cirkelen hun guirlande
waar laag beneden
de netels branden

 

en dan:

 

wanneer de zon de einder klieft
met felle zonnestralen
als kinderkreten
het kreupelhout
lichtvoetig opgeknoopt
dwarrelbladen, warrig
schurkend over grond
dan de dag fel geverfd
in het wildste boerenbont

 

klaver en margrieten,
tussen het bloemengeel
boterend in het vergezicht
koppen broos
in een knipooglicht

 

naast het tarweschuim
heupwiegend in cadans
vibreert het lover, licht
en libellen dazen lustig
hun eigen hekeldicht

 

het is dan misschien
op niets gestoeld
maar ik voel
zo is het bedoeld

 

niets aangelijnd
alle remmen los
daar krijgt het land ruim baan
en als de winden vlagen
daar, daar
vat ik het leven aan

 

op mijn tenen staand
kan ik alles zien
mijn adem benomen
en op slag:
lief ik de dag

 

het is
deze schoonheid
die ik nooit, nooit verruil
want
daarachter …

 

daarachter gaat de liefde schuil

dingen die er niet toe doen

Afgeprijsd, gebroken koekjes in een zak
ik kan alles denken, met het grootst gemak
een hoofd vol schuttingtaal, als koudvuur
zoals een vliegtuig hoog witte krassen kerft in het smetteloos azuur.
Denk mijn gedachten, zelden prijsgegeven
zo slenter ik weer eens door mijn eigen leven


Hier buiten lijkt de nieuwe dag al moe,
een vrouw omrandt haar ogen zwart,
haar blik afstandelijk en hard,
ziet als een vreemde haar spiegelbeeld en checkt haar lach,
een straatviolist speelt Erbarme Dich van Bach.
Maar wat ik mijzelf nu nog het meest verwijt
hoe ik mijn hersens ook pijnig: ik ben je nummer kwijt


Verderop preekt een groepje het hogere leven aan
mijn keel weer dronken droog en mijn schoenen zijn ook haast vergaan
een man en vrouw raken elkaar, een botsing, onbedoeld
de beleefdheid is verpletterend, perfect onderkoeld
Maar wat ik mijzelf nu nog het meest verwijt
hoe ik mijn hersens ook pijnig: ik ben je nummer kwijt


Hoe ver kan een mens reiken?
heb geen idee, moet mijn leven nu echt herijken
zin geven, en zo meer,
het moet anders, maar dat komt nog wel een keer
Want wat ik mijzelf nu nog het meest verwijt
hoe ik mijn hersens ook pijnig: ik ben je nummer kwijt.

lichaamsruis

weet je nog …
weet je nog van die dag …
die dag die toen nog amper was
jij in het prille ochtendlicht
daar op die plek …
die plek, nooit mooier in beslag genomen
dat ik toen, plompverloren, en dat ….
dat ik jou aarzelend vroeg, en jij …
jij blozend je ogen naar beneden sloeg,
zacht knikte, zo introvert ….
en dat die dag, onze dag, niet ouder werd?

 

weet je nog …
dat als nooit tevoren
ik voor het eerst …
dat mijn hand naar jou …
dat jouw lijf naar mij …
dat alles breekbaar was ?
dat jij me zo verrukte
dat het een dag werd, die lukte.

 

weet je nog …
van die lauwe fladderwind
geurend naar pas gemaaid gras
in die wolk van poeder pluis
met de zachtheid van jouw lichaamsruis
hoe jouw mond op zoek …
dat je me raakte …
hoe wij samen nog die dag volmáákte?
weet je nog
dat van toen af
alles anders was
dat ik bij jou mocht vertoeven
om, zonder schroom, je lijf te proeven

 

weet je nog
hoe ik met grote teugen je naar binnen haalde
maar jij stribbelend donderstraalde
dat ik zag hoe je in mijn ogen keek
met je diepste ogenzwart
die je direct richtte op mijn hart

 

weet je nog
dat ik jou bewoog
dat ik je mocht dragen …
en zonder dat ik je verzocht,
jou ook nog drinken mocht

 

weet je nog
dat ik met je ruilde
weet je nog
de dag dat ik jouw tranen huilde?

 

weet je nog
dat ik …
dat jij …


weet je nog … dat wij …

als dat allemaal niet meer kan. Wat dan?

Wanneer de wekker je straft met alweer een nieuwe dag
met je ogen stijf dichtgeknepen bang, voor de eerste oogopslag

 

Wanneer je in de spiegel schouwt en slechts een vreemde ziet
en het beeld dan verwatert door tranen van verdriet

 

Bedenk dan ook:
wanneer je zelfs kunt huilen van geluk
waarom dan niet, ondanks je lijden aan het zijn
schaterlachen van de pijn?

 

Wanneer voor jou het frisse lentegroen niet meer groeien wil
en zelfs na je luidste kreten, het nog blijft, oorverdovend stil

 

Wanneer verdwaald in het leven, niets meer is dat je nog opwindt
en je ten einde raad geen enkele uitweg vindt

 

Bedenk dan dat:
zelfs in het zwartste gat,
ondanks je intense zelfverloochening
zit ergens nog wel een opening

 

Wanneer de schoonheid je niet meer troosten kan
en het leven voelt als de slechtste streekroman

 

Wanneer, blindgeslagen, alle ellende in je samenbalt
en daarna alles in stukken uit je handen valt

 

Bedenk dan dit:
zelfs een gebroken wit,
In een smadelijk mineur
is nog steeds een hele mooie kleur

 

Wanneer de schijn je telken dagen tot op het bot bedriegt
maar ook de werkelijkheid nog alle leugens voor je liegt

 

Wanneer zelfs je passer hoeken trekt
de felste zon, de temperatuur juist naar beneden jaagt, je nekt

 

Wanneer je de lichtste indruk niet meer verteert
als je niets meer kunt en je alles blijkt verleerd

 

Als je dat allemaal niet meer kan. Wat dan?

 

Vergeet dan niet:
als je je hoofd niet meer boven water houden kunt,
je naar adem hapt en stikt misschien
ach, onder water is er ook nog zoveel te zien.

een keuze uit verdonkschot’s proza, over kunst in de wijdste zin.

No posts were found for provided query parameters.