joris august
VERDONKSCHOT


 



Afscheid van al het onzekere




Het was op 3 augustus 1347, het jaar na
de slag van Crťzy, waar de Fransen in de
Honderdjarige Oorlog een beslissende
nederlaag hadden geleden, dat de
volledig gemangelde stad Calais geen
andere uitweg zag dan zich aan de
koning van Engeland uit te leveren.
Edward III willigde het verzoek de stad te
sparen in, op voorwaarde dat zes van
haar voornaamste burgers zich aan hem
overgaven 'opdat hij met hen zou doen
naar zijn wil'. Hij eiste dat ze de stad
verlieten, blootsvoets, slechts gekleed in
een hemd, een strop om de hals en, als
teken van overgave, de sleutels van de
stad in de hand.
De kroniekschrijver Jean Froissart verhaalt
hoe de burgers op het marktplein bijeen-
komen. Ze hebben het bange bericht
gehoord en wachten en zwijgen. Maar dan
staan uit hun midden de helden op. Ze
verlaten de stad, een zekere dood tegemoet.
Het volk blijft wenend achter. Froissart schildert
hoe ze in het kamp van de koning
aankwamen en hoe hardvochtig de koning
hen ontving en de beul reeds naast hem
stond toen de vorst, op de smeekbeden van
de koningin, hun het leven schonk, omdat zij
hoogzwanger was.

Op zondag 3 juni 1895 vond op de Place de
Richelieu de officiŽle onthulling van Auguste
Rodinís De Burgers van Calais plaats in
aanwezigheid van autoriteiten en de
kunstenaar. De opdracht tot het maken van
een monument was elf jaar tevoren door de
gemeente Calais verstrekt. De 2200 kilo zware
massa was het grootste nieuwe beeld van die
dagen. Voor ťťn keer was uit een officiŽle
opdracht een werkelijk groot, onafhankelijk
en revolutionair kunstwerk geboren.

    Rodin had in De Burgers van Calais al zijn
aandacht op het moment van het hart-
verscheurende afscheid van de mannen uit
de stad gericht. Rodin wilde niet het verhaal
van de burgers van Calais beschrijven, meer
veeleer binnendringen in de diepste gevoelens
van de betrokkenen. Hun innerlijke strijd tussen
hun toewijding aan de stad en de angst om te
sterven. De afzonderlijke figuren maken in hun
soberheid een verheven indruk. De zes mannen
staan naast elkaar in twee rijen; de drie die
reeds op het punt staan te gaan lopen in de
eerste rij, de anderen, met een wending naar
rechts, erachter alsof ze zich aansluiten.
Hij schiep de oude man met de hangende armen
en de zware, slepende tred van grijsaards.
De man die de sleutel draagt. In hem huist nog leven
voor jaren. Z’n lippen zijn samengeperst, zijn
handen bijten in de sleutel.
De man die het gebogen hoofd met beide handen vasthoudt als om zich te concentreren, om nog een ogenblik alleen te zijn.
En Rodin schiep het vage gebaar van die man die 'door het leven gaat'. Hij keert zich om naar zichzelf. Zijn rechterarm verheft zich, buigt zich, zweeft: zijn hand spreidt zich open in de lucht en laat iets los, zoals men een vogel de vrijheid geeft.
Het is een afscheid van al het onzekere.
De figuren raken elkaar niet aan, maar er zijn over-
snijdingen, die immers ook een vorm van aanraking
zijn, afgezwakt door de lucht die ertussen ligt.
Wanneer men om de groep heen loopt, ziet men
tot zijn verrassing hoe zuiver en groot de gebaren
vanuit de golfslag van contouren omhoogkomen,
zich verheffen, staan en terugvallen in de massa
als vlaggen die men binnenhaalt. De gebaren
vormen één lijn en daardoor horen de figuren bij
elkaar.

Rodin, geboren in 1840, was bij de onthulling 55 jaar.
Hij was een man die waar de hartstocht hem niet
verleidde, werd gedreven door de armoede. Hij
had zich in z’n leven voor één ding, de beeldhouw-
kunst, serieus ingespannen. 'Wie het ene begrijpt,
begrijpt alles, want aan alles liggen dezelfde wetten
ten grondslag'.
Hij werkte altijd met modellen. En observeerde ze,
noteerde wendingen, verkortingen, profielen,
bewegingen die geen vermelding waard zijn. Hij
verraste zijn modellen in hun gewoontes en
toevalligheden, bij uitdrukkingen die nog in een
beginstadium waren, bij vermoeiheden en
inspanningen. Rodin kende alle overgangen in
hun trekken, wist waar het glimlachen vandaan
kwam en waarheen het terugviel. Hij liet zich niets
over de betreffende persoon vertellen, hij wilde
niets anders weten dan wat hij zag. Het was niet
het zichtbare zelf, maar iets daarin dat zijn aandacht
trok. De jonge Rainer Maria Rilke vroeg Rodin hoe te
leven. Rodin antwoordde: 'Door te werken'.
Toen werd het Rilke duidelijk dat werken leven zonder
doodgaan is.
       
         

 

 






      <<